Wie dagelijks in een wijk leeft, merkt dingen op die zich moeilijk laten vatten in plannen, schema’s of renders. Je ontdekt welke plekken spontaan gebruikt worden, welke routes mensen nemen en hoe de buurt doorheen de dag verandert. Sommige kwaliteiten worden pas zichtbaar wanneer ze deel uitmaken van je dagelijkse routine. “Je weet hoe een buurt ruikt en hoe ze klinkt.” Zo valt het Stefan Paeleman op dat er op Nieuw Zuid elk jaar meer vogels te zien en te horen zijn. “Dat soort ervaringen zegt vaak meer over leefbaarheid dan cijfers of theoretische modellen ooit kunnen.”
Meer dan een masterplan
Voor Stefan Paeleman bevestigt dat ook de beperkingen van stedenbouwkundige planning. Een masterplan kan richting geven, maar het leven in een wijk laat zich nooit volledig voorspellen. Mensen gebruiken een buurt anders dan ontwerpers vooraf denken, voorzieningen ontwikkelen zich op hun eigen tempo en bepaalde plekken krijgen soms onverwachte betekenissen. “De werkelijkheid is altijd rijker dan wat je vooraf kunt bedenken.” Net daarom levert wonen in een eigen project inzichten op die je vanop afstand onmogelijk kunt verwerven.
Dat geldt ook voor de manier waarop een wijk zich verhoudt tot de stad errond. Nieuw Zuid wordt vaak geprezen om zijn architectuur en stedenbouwkundige opzet, maar als bewoner ervaar je vooral hoe de buurt deel uitmaakt van een groter geheel. Door er dagelijks rond te wandelen ontdekte Paeleman kwaliteiten die hem vroeger minder opvielen. “Hoe de stad zich richting het Zuid plots opent en opvallend groen wordt.” Zo’n ervaring ontstaat niet tijdens een presentatie of werfbezoek, maar door er dag na dag aanwezig te zijn.
Een wijk groeit mee met haar bewoners
Wonen in een buurt betekent ook dat je haar ziet evolueren. Voorzieningen komen erbij, ondernemers bouwen hun zaak uit en bewoners maken zich de plek steeds meer eigen. Dat proces verloopt vaak geleidelijk, maar bepaalt in sterke mate hoe succesvol een wijk uiteindelijk wordt. Op Nieuw Zuid zag Paeleman die ontwikkeling van dichtbij gebeuren. “Dat heeft tijd gevraagd, maar vandaag is die evolutie echt op gang gekomen.” Wie er woont, ervaart niet alleen het eindresultaat, maar ook de weg ernaartoe.
Misschien is dat wel de belangrijkste les die Paeleman uit zijn eigen woonervaring haalt. Gebiedsontwikkeling draait uiteindelijk niet alleen om gebouwen, straten of parken, maar om het leven dat zich daartussen afspeelt. Wie zelf in zijn project woont, kijkt dan ook niet langer naar een ontwerp, maar naar een dagelijkse realiteit. Of zoals Paeleman het zelf samenvat: “Het gaat erom hoe een buurt leeft als geheel.”